WAAROM LATIJNSE NAMEN LEREN

20 februari 2025

Ruim 8 jaar geleden maakte ik kennis met de plantenwereld. De vorige eigenaresse, Nell, leerde me direct de Latijnse namen van planten. Destijds vond ik dat behoorlijk lastig. Ik was al blij als ik een plant bij zijn geslachtsnaam kon noemen, maar al snel ontdekte ik dat dit niet voldoende was. Neem bijvoorbeeld de Persicaria, waarvan wij verschillende soorten in de tuin hebben. Wereldwijd zijn er ongeveer 130 geaccepteerde soorten die onderling zo kunnen verschillen dat je op basis van hun uiterlijk nauwelijks een overeenkomst kunt herkennen. Dan is het dus essentieel om een tweede naam te leren.


Nell had natuurlijk een reden om mij die Latijnse namen te laten leren. Daarover vertel ik je straks meer, maar eerst neem ik je mee in de geschiedenis van plantennamen in Nederland. 


Plantenkennis uit de oudheid

De plantenkennis die uiteindelijk leidde tot het systeem dat we vandaag gebruiken, heeft een lange geschiedenis die teruggaat tot de oudheid. Tuinplanten en hun classificatie waren al duizenden jaren van belang voor met name voedsel, geneeskunde en esthetiek. In tuinen bij tempels en paleizen werden vijgen en dadels gekweekt en Romeinse villa’s hadden vaak siertuinen met laurier, rozen en klimop. 


De Griekse botanicus Theophrastus (ca. 371–287 v.Chr.), een leerling van Aristoteles, schreef Historia Plantarum, een van de eerste boeken over plantenkunde. Hij beschreef planten op basis van hun eigenschappen en groeiplaatsen. Later, in de Romeinse tijd, schreef Plinius de Oudere (23–79 n.Chr.) Naturalis Historia, waarin hij veel tuinplanten beschreef. Dit boek werd tot in de 17e eeuw als standaardreferentie gebruikt, onder andere in de geneeskunde. 

De middeleeuwen en de invloed van Dodoens

In de middeleeuwen speelden kloosters een belangrijke rol bij het behouden en verspreiden van plantenkennis. Monniken teelden geneeskrachtige en decoratieve planten zoals lavendel, rozemarijn en lelies en schreven hun eigen kruidenboeken. Vanaf de 13e eeuw begonnen universiteiten onderwijs te geven in de leer van plantengeneeskunde.


Een invloedrijk figuur in deze periode was de Vlaamse arts en plantkundige Rembert Dodoens (1517-1585). Hij bouwde voort op bestaande kennis, maar introduceerde ook vernieuwende methoden om planten te classificeren en beschrijven. In 1554 publiceerde hij het Cruydeboeck, een baanbrekend werk waarin hij meer dan 1.300 planten en hun geneeskrachtige eigenschappen documenteerde. Dit boek, dat nog steeds online te vinden is, was een van de meest invloedrijke botanische werken van zijn tijd. In tegenstelling tot veel wetenschappelijke teksten uit die periode werd het Cruydeboeck geschreven in het Nederlands, waardoor het toegankelijk was voor een breder publiek. De impact ervan reikte ver buiten de Lage Landen: het werd vertaald in het Latijn, Frans, Engels en Duits en diende lange tijd als standaardwerk in de geneeskunde en plantkunde.


Dodoens’ systematische benadering van plantbeschrijving legde een belangrijke basis voor het systeem van tweedelige Latijnse plantennamen, dat in de 18e eeuw werd ontwikkeld door Carl Linnaeus en vandaag wereldwijd wordt gebruikt.


Carl Linnaeus en de standaardisatie van plantennamen

Carl Linnaeus (1707–1778), een Zweedse arts, plantkundige en zoöloog, wordt beschouwd als de grondlegger van de moderne taxonomie, de wetenschap van het classificeren van organismen. In zijn boek Species Plantarum (1753) introduceerde hij het binomiale naamgevingssysteem (binomiale nomenclatuur) waarmee planten wereldwijd een gestandaardiseerde naam kregen. In Systema Naturaea (1735) breidde hij zijn classificatiesysteem uit naar dieren en zelfs mineralen.

Hoe is een Latijnse plantnaam opgebouwd?

De wetenschappelijk naam bestaat uit twee delen:


1.      Geslachtsnaam (Genus): de eerste naam (altijd met een hoofdletter) geeft aan tot welke groep (geslacht) de soort (plant/dier) behoort, bijvoorbeeld Rosa (rozen), Acer (esdoorns) of Quercus (eiken).  


2.      Soortnaam (Species): de tweede naam (altijd met een kleine letter) onderscheidt de soort binnen het geslacht, bijvoorbeeld Rosa canina (Hondsroos) of Acer palmatum (Japanse esdoorn).


3.      Variëteit of Cultivar: Soms wordt een extra naam toegevoegd om een ondersoort, variëteit of gecultiveerde vorm aan te geven:

 

a.      Varieteit (var.): een natuurlijke variatie binnen een soort, bijvoorbeeld Acer palmatum var. Dissectum: een fijnbladige variant van de Japanse esdoorn.

b.      Cultivar: een gekweekte variëteit (tussen enkele aanhalingstekens), bijvoorbeeld Hydrangea macrophylla ‘Endless Summer’, dit is een speciale gekweekte hortensia.

c.      Hybriden (×): Kruisingen tussen twee soorten, bijvoorbeeld Lavandula × intermedia, een hybride lavendelsoort.

De soortnaam kan vaak iets vertellen over de kenmerken van de plant, zoals de vorm, kleur of groeiplaats. Zo betekent officinale of officinalis dat de plant een geneeskrachtige werking heeft, major (groot) of lanceolata (lansvorming blad) iets over de vorm van het blad. Maritima (aan zee groeiend) of montanum (groeiend in de bergen) vertelt over waar de plant voorkomt. 

Waarom Latijnse namen gebruiken?

Het lijkt misschien makkelijker om de Nederlandse namen voor planten te gebruiken, maar het leren van de Latijnse namen van planten en kruiden heeft belangrijke voordelen. Elke plant heeft één unieke wetenschappelijke naam, terwijl er vaak meerdere Nederlandse volksnamen bestaan. Je voorkomt hiermee ook verwarring. Sommige Nederlandse namen worden voor meerdere, totaal verschillende planten gebruikt. Een voorbeeld is zonnehoed, een naam die zowel voor de Echinacea als Rudbeckia wordt gebruikt. Latijnse namen worden bovendien wereldwijd herkend, terwijl Nederlandse namen zelfs per regio kunnen verschillen.


Een typisch voorbeeld van verwarring is de zogenaamde geranium. In Nederland denken veel mensen bij deze naam aan de felgekleurde balkonplanten, maar deze behoren eigenlijk tot het geslacht Pelargonium. De echte Geranium (ooievaarsbek) is een andere plantensoort met een heel andere groeivorm en eigenschappen.

Ook regionale verschillen kunnen misleidend zijn. In Nederland verwijst de naam  pinksterbloem naar Cardamine pratensis, de lichtpaarse weidebloem. In België wordt met pinksterbloem soms Dianthus deltoides (steenanjer) bedoeld.

 

Dank je wel Nell!

Het leren van Latijnse plantennamen kan in het begin lastig zijn, maar het voorkomt verwarring en maakt het makkelijker om internationaal te communiceren over planten. Of het nu gaat over tuinieren, botanisch onderzoek of plantengeneeskunde, de binomiale nomenclatuur van Linnaeus blijft een essentieel hulpmiddel voor iedereen die serieus met planten bezig is. Achteraf ben ik Nell dankbaar dat ze me destijds dit waardevolle inzicht heeft meegegeven. En het mooiste? Op haar 88ste kent ze nog steeds al die Latijnse namen!

Meer van dit soort plantenweetjes? Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

Abboneren op de nieuwsbrief | Waarom Latijnse namen leren

Share by: